Icarus II

‘Icarus III’,  2003

± 400 x 100 x 40, betonijzer, piepschuim en krantenpapier

Zoon van Deadalus, tijdens de vlucht uit Kreta op zelfgemaakte vleugels stort hij in zee.
‘… toen Icarus plezier kreeg in het waagstuk van hun vliegreis, niet meer zijn gids bleef volgen, maar gelokt door verre vlucht hoger ging vliegen. De nabijheid van het snelle zonlicht maakte de vleugellijm – geurrijke bijenwas – al zacht, méér nog: ze was gesmolten…. Vleugelloze armen sloeg hij in ’t rond, maar bij gebrek aan wieken ving hij nergens wind, totdat zijn mond, hulp roepend naar zijn vader, werd omsloten door ’t hemelsblauwe zeevlak dat zijn naam aan hem ontleent. De vader- niet meer vader- riep naar Icarus, diepdroevig, ‘Icarus!’ riep hij luid, ‘waar ben je dan? Waar vind ik je?’ en steeds weer ‘Icarus!’, zag toen de vleugels op de golven en heeft zijn kunst voorgoed verwenst. Het lichaam is door hem begraven op de kust die heet naar wie daar ligt begraven.’